Up close & personal 



Halfwassen


 

Mijn Middelgrote Midlifecrisis van afgelopen jaar bracht toch wel wat dingen naar boven die blijkbaar nogal typerend zijn voor zo'n existentieel vragenrondje. Nadat mijn professionele omwentelingen zo stilaan op hun plek vielen, stond het volgende zorgenkindje al voor de deur: mijn weerstand om ouder te worden.

 

Deze maand word ik achtendertig.

 

Achtendertig

 

Da’s nog maar twee jaar verwijderd van de veertig en, godbetert, twaalf van de vijftig. Nu, ik wil niemand voor het hoofd stoten, maar geef toe: veertig is zo’n symbolische leeftijd die de grens aangeeft tussen – relatief – jong en écht volwassen. Nee, het staat niet voor afgeschreven. Ik ken heel wat hippe veertigers die tijdloos door het leven dartelen. Maar bekijk de veertiger eens door de ogen van een vijfentwintigjarige. Begrijp je wat ik bedoel? Veertig is gesetteld. Mama. Papa. Huis al redelijk afbetaald. Misschien zelfs een buitenverblijf. Veertig is ouderraad. Veertig is dikke Volvo.


Veertig is zowat alles wat ik niet ben of heb.

Nog twee jaar en ik sta daar te koekeloeren.

 

Niet meer zo jong en ik wil wat

 

Eind vorig jaar, niet toevallig op het moment dat de mondmaskers drie volle weken aan de kant mochten, smeet ik daar maar ineens mijn gezond verstand bij. Wegens een acute aanval van knaldrang. Of zoiets. Want ik wilde zo graag. Ik wilde – wát ik juist wilde wist ik niet helemaal – maar ik wilde. Wanneer ik mijn ogen sloot, zag ik mezelf in een showreel van de Allerbeste Feestjes uit mijn leven. Zorgeloos dansen tot het ochtendgloren. Zonder verplichtingen. Zonder verwachtingen.

Yep, dát wilde ik – denk ik.

 

Er is niks. Of toch niet veel meer

 

Toen ik vol overgave mijn feestplannen uit de doeken deed aan een vriendin, bleef het stil. Zou het kunnen dat ik misschien iets te veel verwachtte van de wereld buiten mijn landelijk huurhuisje, het rustige decor van m’n gelukkig leven met mijn lief? Al mijn generatiegenoten zitten tot over hun oren in een leven met kinderen, hypothecaire leningen en kookboeken van Ottolenghi. Met andere woorden: er is daar buiten niks te zien. De tijd van uitbundige feestjes? Die is al eventjes voorbij. Eerlijk gezegd kieperde ik die jaren geleden, samen met mijn stewardessentenue, overboord. Om een goeie reden nog wel: ik vond er geen bal meer aan.

 

Ik besef dus dat de kans vrij reëel is dat mijn beoogde feestgedruis zich eerder aan een of andere toog zal afspelen. Met – veel te snel – een stuk in mijn kraag. En hoogstwaarschijnlijk verwikkeld in een gesprek waar ik eigenlijk niks aan heb. Met een andere knaldranger die denkt de tijd te slim af te zijn.

En toch vind ik dat heerlijk, zo heel af en toe. Tot de volgende ochtend althans.



Volwassen worden. Het schijnt me maar nét niet te lukken.