Up close & personal



ONCE UPON A TIME


 

Ik leerde de betekenis van het woord ‘verlies’ pas echt kennen nadat ik mijn vader verloor. Iets of iemand verliezen betekent dat- of diegene niet meer terugvinden. En het is soms verdomd moeilijk om daarin te berusten.

 

Wie was je ook alweer?

Natuurlijk verzet ik me af en toe met heel mijn wezen tegen dat machteloze gevoel. Ergens blijf ik zoeken, ook al ben ik me bewust van de zinloosheid van mijn acties. Beelden oproepen, gesprekken reconstrueren, impressies definiëren. Hoe langer je iemand mist, hoe minder de flarden van herinneringen stroken met de werkelijkheid. Zo kreeg ik bijvoorbeeld, telkens ik iemand tegenkwam die een link had met mijn vader, de drang om die persoon aan te spreken. Vurig hopend dat een of andere anekdote hem terug tot leven zou wekken. Maar die pogingen gaf ik al snel op. Mensen praten nu eenmaal graag over zichzelf.

 

Papa JR

Mijn vader vertrok al meer dan vier jaar geleden naar de eeuwige jachtvelden. Ik mag dat zeggen op zo’n tenenkrullende manier, want wie hem ook maar een béétje kende, wist dat hij een cowboy was. Tot mijn grote ergernis als onzekere puber, maar tot mijn groeiende bewondering naarmate ik ouder werd. Pa had goesting om rond te lopen met cowboylaarzen, hoed, buckle en heel de reutemeteut. Dus pa deed dat. Na z’n zestigste beginnen paardrijden. Meteen ook maar een paard gekocht. Hilariteit alom omdat hij, klein van gestalte, zich enkel via een opstapje in het zadel kon ploffen. Pa perste en wrikte aan het leven. Om te nemen wat hij wilde hebben. En hij deed dat goed.

 

De dag van de liefde

Een hoogdag voor mijn cowboyvader was dan ook de Paardenmarkt in Kuringen, het dorp waar ik mijn jeugdige dagen sleet. Een volks gebeuren waarop ook ik me elk jaar weer verheugde. Misschien door de sterke herinnering aan de jaren die voorafgingen aan het tijdperk van het digitale leven. Het leven zoals het was, en liefst nog wat langer bleef — wat mij betreft. Ik hou van het vergane, het hoeft zelfs niet overdreven glorieus te zijn.

 

Ik beeld me graag in dat ik mijn wortels eventjes in de aarde plant waarop mijn voorouders rondkrasselden. Een gedachte waarbij de nostalgie kolkt door mijn aders als ik enkele bekende gezichten uit mijn kindertijd kruis. Althans, degenen die hun laatste rust nog niet op het dorpskerkhof vonden. Maar dat is niet de hoofdreden waarom ik mezelf elk jaar betrap op dit soort diepgewortelde affectie voor mijn geboortedorp.

 

Nee, de Paardenmarkt, dat was ónze dag. Van pa en mezelf. We vierden samen half maart: de herdenking van mijn geboorte, de belofte van een nieuwe lente, maar ook iets veel groters: onze liefde voor elkaar.

 

Geluk in een borrelglas

Als nakomer hinkte ik altijd ergens achteraan in de bloedlijn, met een paar generaties vertraging. De jongste van een gezin dat, zoals vroeger de gewoonte was, zich niet snel liet betrappen op sentimentele uitspraken. Snoep en verwennerijen fungeerden als belangrijkste communicatiemiddel voor dit soort uitlatingen. Maar op zaterdagvoormiddag, ergens halverwege maart, vierde de liefde hoogtij. Hij, fier op zijn dochter, die elk jaar wat groeide. En ik, fier op mijn eigenzinnige, ietwat excentrieke vader. Die zich al in de levensfase bevond waarin hij elk jaar weer wat kromp. Twee fiere Jorissen, klinkend met een ochtendlijke borrel. Traditie. En het mag gezegd: samen met mijn verwekker jenever hijsen in een bedompte feesttent kwam toch wel héél dicht bij mijn definitie van geluk.

 

Zelfs nadat de vergeefsheid al een prominente plek naast zijn ziekenhuisbed had ingenomen, bleef mijn vader, graatmager en moegestreden, uitkijken naar ons jaarlijks uitje.

 

Ik beloofde hem dat ik van de partij zou zijn.